Die opmerking tijdens de Meetup013 raakte me

Tijdens de meetup013 over maakonderwijs van 11 oktober raakte ik in gesprek met de eigenaar van het Walhallab in Zutphen. Via Twitter hadden we al wel eens wat contact, maar een reallife ontmoeting is toch altijd weer wat anders.

We hadden zojuist samen geluisterd naar een enthousiast verhaal over design thinking. Een opmerking die ik daar hoorde raakte me. “Je moet wel een doel hebben” hoorde ik. “Als je geen doel hebt ben je bezig met niks.” Deze zin zette me aan het denken. Hoezo dan? Waarom niet? Is bezig zijn met niks niet juist alles?

Ik denk dat deze zin mijn drijfveer om te werken voor het onderwijs raakt. Wat mij betreft moeten we juist veel meer doelloze dingen in het onderwijs doen. Experimenteren, aanklooien, rommelen. Geraakt raken, enthousiast worden…De afgelopen jaren is men doorgeschoten. Alles moest een doel hebben. Meetbare resultaten stonden centraal. Ik zag veel leerkrachten worstelen met de hoeveelheid aan einddoelen en resultaatnormen. Vaak zei ik dan dat ze keuzes moesten durven maken. Vooral doen wat je leerlingen nodig hebben en waar jij warm voor loopt.

Maar hoe weet je nu wat je leerlingen nodig hebben? Maar al te vaak denken we dat we het weten door kinderen te testen en te toetsen. Ik denk dat we het juist beter zien en weten door af en toe rust te nemen. Te kijken, maar dan ook echt te kijken. Toen ik kleuterjuf was deed ik dat altijd tijdens het vrij kiezen. Kijken bij welke kinderen dat lukte, wat ze gingen doen. Wie er tot een keuze kwam en wie niet. Heerlijk met je klas aanklooien. Ik zorgde dan wel voor een rijke omgeving met veel knutsel en bouwmateriaal. Meestal maakte ik op dat moment ook zelf iets. Niet al te ingewikkeld zodat ik mijn ogen goed de kost kon geven. De vrije keuze momenten lagen in die tijd onder vuur. De lessen moesten gedegen voorbereid worden met helder omschreven doelen.

Tijdens de meetup ging ik met mijn gedachten terug in die tijd. Ook naar de tijd die ik doorbracht aan de academie voor beeldende vorming in Tilburg. Ik heb daar geleerd het experiment aan te gaan. Eerst te doen en dan te denken. Denken kan en kon ik namelijk als de beste. Nieuwe dingen aangaan en gewoon eerst lekker doen iets minder. Het doelmatig en procesmatig werken kwam na dat experiment vaak vanzelf op gang.

Marco Mout van Walhallab nodigde mij in ons gesprek tijdens de Meetup013 uit om in de herfstvakantie eens langs te komen met mijn dochter. Afgelopen donderdag deden we dat. Een warm ontvangst kregen we terwijl we toch op een onaangekondigd moment binnen stapten. De medewerker die ons rondleidde vertelde “Wij gaan om met onze jongeren op een manier zoals we zelf ook behandeld willen worden.” Ik voelde dat dat ook echt gebeurde op die plek. De jongeren die ik gesproken heb vertelden met plezier hun verhaal, keken me open aan en waren ondertussen heerlijk aan het experimenteren. Geen uitgetekende plannen, maar gewoon lekker aan het doen.

Volgens mij is ook dát onderwijs. Misschien wel juist onderwijs omdat de veilige plek die nodig is om te leren juist hier geboden wordt met alle facetten in zich. Samen met mijn dochter ging ik na ons bezoek de stad in om te lunchen en Zutphen verder te bekijken. Aan het einde van de middag trok ze me aan mijn mouw en vroeg ze me om nog even terug te gaan naar die leuke plek. Ook mijn dochter voelde de sfeer daar en voelde dat ze er welkom was. De dagen daarna hebben we samen veel gemaakt en aangemodderd. Gewoon zonder plan zonder doel en bovenal zonder pretentie.

Ik wens de mensen van Walhallab een hele mooie toekomst toe. Het zou zo maar kunnen zijn dat dit ogenschijnlijk eenvoudige concept dé oplossing is voor heel veel kinderen die vastlopen in ons huidige onderwijs.

Lizette Knuvers Mijland
Oktober 2017

Wij hebben ook een kleine Bram

Vorige week vertelden de ouders van Bram hun verhaal. Bram is vijf jaar en zit inmiddels halve dagen thuis. Hij wil niet naar school. Als Bram op school is merk je niets aan hem. We zagen leuke foto’s voorbij komen van een vrolijke jongen. Vervolgens liet de moeder van Bram een filmpje zien van hem vroeg in de ochtend. Een huilende jongen, volledig overstuur, die weigert om mee te gaan naar school. Mijn man en ik keken elkaar aan. Wij hebben ook een kleine Bram…

In mijn telefoon zit een vergelijkbaar filmpje. Een filmpje dat ik zelf eigenlijk niet wil zien. Een filmpje van een dochter die overstuur is, boos en verdrietig is en zich machteloos voelt. Een dochter die alles van de wereld wil begrijpen en zich vaak heel alleen voelt. Niet veel mensen zien haar zo, want ons kind is ook heel vaak blij en gezellig. Daarnaast laat onze dochter (gelukkig) redelijk gewenst gedrag zien op school. Inmiddels weten we waarom ze zich zo vaak alleen en niet begrepen voelt. De diagnose is gesteld. Zie mijn blog: En dan is daar het etiket en eigenlijk ben ik er best blij mee. Bijzonder begaafd noemen ze het. Één op de duizend kinderen valt onder deze categorie en je moet maar net geluk hebben om in een middelgroot dorp een vergelijkbaar leeftijdsgenootje te vinden. Vooralsnog is dat dan ook nog niet helemaal gelukt.We boffen, want onze dochter heeft een juf die bevlogen is, ook op het gebied van hoogbegaafdheid. Een juf die er alles aan doet om ons kind te helpen. Hierdoor gaat ze elke dag naar school en geniet ze er ook regelmatig van. Ze wordt uitgedaagd om moeilijke opdrachten aan te gaan en ze wordt gezien. Probleem opgelost zou je denken.

We maken ons ondanks de positieve rol van de school toch vaak zorgen. We zien ons kind worstelen. We zien haar eenzaamheid en verdriet. Ze kan haar gevoelens moeilijk delen. Probeert dat met ons wel te doen, maar wil dat niet altijd. Ze reageert vaak prikkelbaar en is heel gevoelig. Via deze link over positieve desintegratie kun je hier meer over lezen. Ze heeft echt wel een paar lieve vriendinnetjes op school, maar ze kan ze niet altijd volgen. Haar vriendinnetjes volgen haar ook niet altijd. Nieuwe vriendschappen vindt ze moeilijk. Ondanks dat haar vriendinnetjes vaak heel lief en betrokken zijn voelt het voor haar niet zo. Én dat is precies datgene wat we heel serieus moeten nemen.

Het samenwerkingsverband in onze regio is aan het nadenken over een voorziening voor jonge hoogbegaafde kinderen die vastlopen op hun school. Voor kinderen onder de 8 jaar. We mochten hier als ouders over meedenken. Op deze plek vertelden ook de ouders van Bram hun verhaal. Het zou zo fijn zijn als onze kinderen elkaar ergens kunnen ontmoeten en samen hun ingewikkelde weg kunnen bewandelen. Ik vind vanuit mijn eigen onderwijsovertuiging eigenlijk dat we moeten proberen elk kind te helpen op de school waar het zit. Ik word als onderwijsmens heel warm van het concept van een inclusieve school, maar ik weet ook dat er soms kinderen zijn met een speciale onderwijsbehoefte. Kinderen die gelijkgestemden nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen en zich fijn en gewenst te voelen. Kinderen die een aangepaste onderwijsomgeving met expertise nodig hebben om hun eigen bijzondere pad te mogen bewandelen. Laten we dat alsjeblieft blijven zien in de wereld van passend onderwijs en laten we ervoor zorgen dat we goede kwalitatieve voorzieningen hebben daar waar ze hard nodig zijn. Het is behoorlijk slopend om je kind te zien ploeteren en worstelen op een hele jonge leeftijd…

Wij wachten de nieuwe ontwikkelingen van het samenwerkingsverband samen met andere ouders uit de regio met heel veel belangstelling af.

Lizette Knuvers Mijland april 2017

 

ADHD is een hersenziekte

‘In de klas heeft ze een plekje gekregen vooraan. Dat heeft ze niet zelf uitgezocht, maar dat werd haar toebedeeld, omdat ze er om vroeg, door haar gedrag. En dan een stelletje jongens om haar heen als erehaag. En dat alles om haar geklets maar af te remmen. Ze kon goed werken als ze zin had. Maar dat laatste moet ik er wel bij zeggen. Plotseling lag ze met haar hoofd op haar armen. Of ze keek boos. Ze is wat wispelturig. Als je wilt, kun je best werk leveren. Ga je dat ook doen?’

Bovenstaande zinnen zijn stukjes die werden voorgelezen op de afscheidsavond toen ik van de lagere school ging. Werkelijk, ik kon wel door de grond gaan. Nu hoorde iedereen dat ik een leerling was die nooit haar best deed. Maar de werkelijkheid was zo anders. Keer op keer probeerde ik de dingen juist goed te doen. Maar het mislukte steeds en daar kon ik niks aan doen.

Het is ontzettend pijnlijk om steeds te moeten ervaren dat bepaalde dingen je gewoon niet lukken. Ook bij mijn kinderen zie ik dat terug. Zoon heeft bijvoorbeeld tien jaar gedaan over zijn zwemdiploma. Ook bij dochter gaan sommige zaken moeizamer. Ze vindt het lastig om zelfstandig te worden en heeft hier nog veel hulp bij nodig.

Soms gebeuren er ook gekke dingen. Zoon kwam thuis en schopte keihard met zijn kisten tegen de deur. Resultaat: een deur met zwarte vegen die er alleen met een schuursponsje vanaf wilden. Dochter had ook de kolder in haar kop. De hele badkamer zat onder de wax, omdat ze het nodig vond om het niet in haar haar te smeren, maar zich er mee te wassen. Je kunt je afvragen wat ze op zulke momenten denken. Is er dan sprake van een soort kortsluiting in hun hoofd?

In een nieuw onderzoek van Martine Hoogman zijn 3200 hersenscans van kinderen en volwassenen geanalyseerd. Deze scans laten zien dat mensen met ADHD in bepaalde gebieden kleinere hersenen hebben dan mensen zonder ADHD. Dit zou het probleemgedrag van mensen met ADHD kunnen verklaren.

De uitkomsten van het onderzoek zijn belangrijk. ADHD is namelijk gewoon een hersenziekte, net als bijvoorbeeld een depressie. We moeten er dus ook op zo’n manier mee omgaan. Nu wordt er te vaak gezegd dat ADHD een modeverschijnsel is. Er is ontzettend veel onbegrip naar kinderen en hun ouders. Ouders zouden hun kinderen beter moeten opvoeden door ze meer structuur te bieden. Dan zitten deze kinderen vanzelf wel stil.

Van dit idee moeten we af. Kinderen met ADHD en hun ouders worden daar vreselijk ongelukkig van. En voor volwassenen met ADHD is het niet anders. Dochter vroeg aan mij: “ben ik met kleinere hersenen dan minder slim?” Het antwoord is: nee! Hopelijk helpen de uitkomsten van het onderzoek om anders met ADHD om te gaan, zodat kinderen met ADHD zich niet zo verdrietig hoeven te voelen als ik toen. Alleen dit al zou een prachtige stap voorwaarts zijn.

Suzan Otten Pablos

Deze colomn verscheen eerder via het adhd- netwerk

Ik voelde, nee, ik hoorde mijn hart bijna breken.

Vorige week had ik samen met de kinderen uit mijn klas een soort van emotiemeter gemaakt; ‘Ik voel me’, moest bovenaan komen te hangen. Hiermee kunnen de kinderen aangeven hoe ze zich voelen. Daarna mogen ze er zelf nog voor kiezen om me te vertellen waarom ze zich zo voelen, of niet. Maar ik weet dan in ieder geval zeker dat ik met sommige kinderen een beetje meer rekening moet houden, of niet. We hadden samen 5 verschillende gevoelens bedacht die erop moesten komen te staan. Het moest onderaan beginnen met ‘verdrietig’ en bovenaan eindigen met ‘fantastisch’. De kinderen mochten allemaal een eigen naamkaartje maken, dat ik op een wasknijper plakte. ’s Middags maakte ik de emotiemeter en gaf hem vast een plekje in de klas.

Aangezien woensdag mijn laatste werkdag is, zodat ik op donderdag en vrijdag van mijn eigen kinderen kan genieten, hadden de kinderen een paar dagen de tijd om eraan te wennen dat het in de klas hing. Maandag heb ik de naamkaartjes op de tafeltjes gelegd. De kinderen kwamen de klas binnen en konden niet wachten om hun naamkaartje op te hangen. Er hingen ook veel kaartjes onderaan. Veel kinderen gaven aan zich vervelend of verdrietig te voelen, maar ze vonden het maar al te leuk om het steeds weer te wisselen. Ze gaven nog niet hun echte emotie aan. Dat was te zien aan de lachende gezichten van de kinderen die hun naamkaartje bij ‘vervelend’ hadden hangen. Tja, het was maandag. Ze hadden die morgen misschien nog wat langer in hun bed willen blijven liggen? Ik besloot om ze nog even aan te laten modderen. Ik zag langzaam maar zeker dat kinderen hun echte emotie aan gingen geven. De kaartjes kwamen steeds hoger te hangen, positiever dus.

Op dinsdag had Gillian zijn naamkaartje opgehangen. Hij voelde zich vervelend. Gillian heeft het zwaar in groep 3. Ondanks dat hij 3 jaar lang in een kleuterklas heeft gezeten, heeft hij ontzettend veel moeite in groep 3. Gesprekken met ouders lopen moeizaam. Het ene moment willen de ouders het wel begrijpen, het volgende moment zijn ouders helaas wat wantrouwend. Gillian staat ertussenin. Hij voelt wel wat er speelt, hij krijgt er vast ook wel wat van mee. Hoe zou het voor zo’n kind moeten zijn? Ik kan me heel goed voorstellen dat hij zijn ouders niet teleur zou willen stellen. En dus misschien zou hij maar gewoon moeten proberen te laten lijken alsof hij het allemaal wel kan. In de klas roept hij in ieder geval voortdurend: ‘Kunnen we beginnen? Het is zo saai? Ik snap het allang, hoor!’. Maar als hij dan echt aan de slag moet…….

Vandaag begonnen we met deel 1 van de spellingtoets. Het was de eerste keer voor de kinderen van groep 3 dat ze deze toets moesten maken. Ik sprak de woorden luid en duidelijk uit. Ik probeerde met iedereen rekening te houden. Niet iedereen was even snel. Ik hield ook Gillian in de gaten. Het lukte hem niet. Hij had ontzettend veel moeite om het bij te houden. Af en toe fluisterde ik hem een woord nóg een keer in, omdat ik zag dat hij nog met het vorige woord bezig was. Ik zei hem dat hij rustig aan kon doen. Ik zou hem het volgende woord nog wel een keer zeggen. Maar ondertussen zag ik de frustraties bij hem toenemen. Hoezeer hij ook zijn best deed, hij kon het niet bijhouden. En ik kon bijna geen een woord vinden dat hij op de juiste manier had geschreven. Hoe ik hem de tijd ook liet nemen en ondertussen de andere leerlingen van de klas hun begrip toonden, omdat ze steeds op hem moesten wachten, het lukte hem niet.

Sterker nog, ineens barstte hij keihard in snikken uit. Op dat moment voelde ik, nee, ik durf te zeggen dat ik mijn hart bijna hoorde breken. Ik had zo met hem te doen. Ik vond het verschrikkelijk voor hem. Het enige wat ik op dat moment kon doen, was tegen hem zeggen dat het niet erg was. Ik heb zijn boekje dicht gedaan. ‘Dit doen we een ander keertje samen wel. Je hoeft het nu niet te maken’, zei ik hem terwijl ik mijn arm om hem heen sloeg. Hij bleef luid snikken. De hele klas had met hem te doen. Maar ondertussen was die toets nog niet af. ‘Sorry Gillian, maar ik moet de toets nog wel met de andere kinderen afmaken. Blijf maar even zitten, laat je boekje maar dicht’. Hij bleef nog even doorsnikken en ik bleef bij hem staan. Ondertussen maakte ik wel de toets af met de andere kinderen. Drie woorden verder pakte Gillian zijn boekje en deed het weer open. Hij wilde het toch weer proberen, wat ik ontzettend stoer vond van hem. Hij heeft de toets toch nog afgemaakt.

Aan het einde van de toets mocht iedereen zijn tafel weer terug op zijn plek zetten. Ik keek naar Gillian. De tranen schoten weer in zijn ogen, hij begon weer luid snikken. Ik heb hem bij me geroepen en hem een hele dikke knuffel gegeven. Ondertussen vertelde ik hem dat ik hem ontzettend stoer vond. Hij vond het zo moeilijk, maar hij had zo ontzettend goed zijn best gedaan. Ik was terecht trots op hem. Maar aan de andere kant deed het me ook pijn om te zien dat iemand zo aan het worstelen is. Gillian vertelde me ook dat hij zo verdrietig was, omdat het hem gewoon niet lukte. Hij zou een slecht punt krijgen en dat kwam op zijn rapport te staan. Ik vertelde hem dat ik hem het allerliefst tot en met groep 8 bij mij in de klas zou willen hebben. En ook dat ik het zo fijn voor hem zou vinden als hij elk jaar weer over zou gaan met alleen maar hoge punten op zijn rapport. Maar ik vertelde hem ook dat ik zag dat dit hem nooit gaat lukken. Ik zie hoe hard hij werkt en hoe graag hij het goed wil doen, maar het lukt hem gewoon niet. En dat is heel vervelend voor hem. Maar ik zie hoe hard hij het probeert, hoe hard hij zijn best doet. En alleen al daarom ben ik trots op hem. Vervolgens heb ik met hem afgesproken dat we na school zijn vader of moeder naar binnen zouden vragen. Samen zouden we vertellen dat hij keihard zijn best had gedaan, maar dat het hem gewoon niet lukte. Hiermee kon ik zijn verdriet een beetje sussen.

Na deze verschrikkelijke toets was het tijd om te gaan rekenen. Niet uit ons rekenboek natuurlijk! Dat hoefde ik ze nu echt niet meer te laten doen. Ze mochten zelf aan de slag. Ze mochten samen één bouwwerk maken met kapla. Natuurlijk probeerde elke groep een zo hoog mogelijke toren te maken. Ze mochten voorbeelden nabouwen met blokken. Ze gingen in tweetallen aan de slag. De ene leerling bouwde een bouwsel, de ander bouwde het precies na. En dan moesten ze allebei nog vertellen uit hoeveel blokjes het bestond. Iedereen was met plezier aan het werk. Vooral Gillian, hij was met heel veel plezier aan het werk. Toen stond Gillian op en liep naar de emotiemeter. Hij haalde zijn naamkaartje weg bij ‘vervelend’ en hing het helemaal bovenaan bij het kaartje ‘ik voel me’. Ik liep naar hem toe en vertelde hem dat dit eigenlijk geen emotie is. ‘Of ben je nu zo blij dat je jouw kaartje het liefst zo mogelijk wil hangen?’. ‘Ik ben nu zo blij, juf! Dit is het leukste dat we vandaag hebben gedaan’.

Betty Boztay-Meeuwesen
27 januari 2017

Wees jezelf

De ellende met authenticiteit

“’Wees jezelf’, sprak ik tot iemand. Maar hij kon niet, hij was niemand.”
Als iemand dit korte gedichtje van dichter/dominee de Génestet nooit als lijdend voorwerp heeft meegemaakt, dan ben ik het wel. Negen van de tien keer dat ik op school in de problemen kwam, was het eerder doordat ik teveel mezelf was. Bas, de dromerige figuur die zich in een andere wereld leek te bevinden. Of Bas die niet zat te dromen, maar die continu andere mensen aan het afleiden was en overal doorheen zat te praten. Bas, van wie verwacht werd dat hij op gepaste wijze op een ernstige situatie zou reageren, maar die juist overal de draak mee stak. Of Bas, die totaal van de kaart in de schoolbanken zat door het roken van oogluikend toegestane verdovende middelen. Allemaal verschillende versies van mezelf weliswaar, maar ik was het wel degelijk zelf!

Na de diagnose..

Inmiddels ben ik erachter dat al die obstinaatheid en non-conformiteit op met name de middelbare school, maar ook in de beroepspraktijk, wel degelijk een oorzaak hebben. Volgens de psycholoog komt het doordat mijn brein nogal wat ADD-kenmerken heeft. Simpel gezegd betekent dit, dat ik bovengemiddeld moeite heb met het verwerken van prikkels en informatie. Maar helaas is daar bij mij gedragsmatig of “aan de buitenkant” weinig van te zien. Daardoor kon en kan ik dus wel goed doen alsof ik “niemand” ben.

Sinds ik weet dat het een oorzaak heeft dat het zo druk is in die hersenpan van mij, vallen er wel een hoop puzzelstukjes in elkaar. Mijn leerlingen in de klas, die altijd even geboeid naar mijn instructies en uitleg luisteren. Vooral omdat ze enorm benieuwd zijn welk zijpad ik nu weer in ga slaan, of welke rare grol of grap er nu weer uit komt rollen. De inwendige kalmte die ik weet uit te stralen op het moment dat ergens de pleuris uitbreekt. De onverwachte invallen en handelingen waarmee ik de aandacht van mensen weet te trekken of ze met zichzelf kan confronteren. Maar ook de innerlijke chaos, waardoor ik afspraken vergeet, spullen kwijtraak en nogal lomp en ongepast uit de hoek kan komen. Allemaal te danken aan mijn “confettibrein”, zoals een vriendin van me het treffend omschreef.

De maatschappij en authentiek gedrag

Ondertussen doen reclames alsof non-conformiteit en authenticiteit de hoogste doelen zijn die een mens kan behalen tijdens de jacht op geluk. Die prijs in de lotto die ervoor zorgt dat je nooit meer die loonslaaf hoeft te zijn, die in een soort matrix van verplichtingen verzeild is geraakt. Die ene geur uit dat geweldige flesje, die maakt dat je een soort unieke en onweerstaanbare vrouwenmagneet wordt. Die unieke auto uit Japan, die maakt dat je niet wordt gezien als de “zoveelste Duitser op de weg”. Dat hele streven om uniek te zijn roept bij mij twee vragen op: “Hoe uniek kan zo’n product je nog maken als al die advertenties juist zoveel mogelijk mensen aansporen om het aan te schaffen?” En ten tweede de vraag: “Zit onze maatschappij eigenlijk wel op al die non-conformiteit en authenticiteit te wachten?”

Voor het antwoord op de tweede vraag hoef je alleen maar even de gemiddelde school binnen te wandelen. Complete volksstammen worden daar, met vrijwel hetzelfde instructiemateriaal en volgens hetzelfde stramien, klaargestoomd om aan het eind van de rit aan dezelfde beroepseisen en referentieniveaus te voldoen. Als je wat moeilijker stil kunt zitten, minder communicatief of taalvaardig bent, moeite hebt met het onmiddellijk opvolgen van instructies of anderszins niet aan de eisen kunt voldoen die de huidige competitieve en op theoretische kennis gerichte maatschappij aan je stelt, loop je vroeg of laat vast. Doordat er “niet uitkomt wat erin zit”, zoals mij vaak verteld is. Door je veronderstelde “gebrek aan discipline”. Maar eigenlijk vooral door de toenemende angst van de samenleving voor alles wat anders is dan de standaard. Hoe verklaar je anders het toenemende aantal “stempeltjes” voor leerlingen die niet helemaal in het plaatje passen?

Als maatschappij zijn we inmiddels in de situatie terecht gekomen, dat mensen die sterk theoretisch onderlegd zijn, ondernemend en gestructureerd zijn, competitief zijn ingesteld en die sterke communicatieve eigenschappen hebben het heel ver kunnen schoppen. Al blijft het natuurlijk mooi meegenomen om uit een “goed nest” te komen. Het onderwijssysteem is er steeds meer op ingesteld om “excellentie”, uitblinken, te stimuleren en belonen. Tenzij je natuurlijk excellenter dan het schoolsysteem bent, dan heet je ineens “hoogbegaafd”. Zodoende creëren we als samenleving een situatie waarin het steeds moeilijker is om zonder bepaalde aangeboren eigenschappen te gaan behoren bij de mensen die het voor het zeggen hebben en die de koek verdelen. Bovendien groeit, parallel aan die ontwikkeling, met de vlucht van de technologie de behoefte aan theoretici.

Het onderwijs vroeger en nu

In het huidige gestandaardiseerde onderwijs is het steeds moeizamer om je te handhaven wanneer je afwijkt van de “norm”. Had ik het vroeger al moeilijk om mijn huiswerk en planning georganiseerd te krijgen op de middelbare school, of eerlijk gezegd om überhaupt mijn agenda open te doen of in mijn schoolwerk te kijken, tegenwoordig wordt op de lagere school al van je gevraagd om je taken te plannen, continu getoetst te worden of je op andere wijze de maat te laten nemen. En dan vinden we het gek dat steeds meer kinderen buiten de boot vallen!

Gelukkig had ik vroeger op de middelbare school, toen mijn concentratie- en leerproblemen echt gevolgen begonnen te krijgen, een docent en mentor die zelf ook een behoorlijk rare snuiter was. Mijn docent Engels was een hippie met lang haar en een sik. Hij had dezelfde absurde en ongepaste humor als ik, gezien de rare dictees die hij altijd gaf met zinnen die zo uit Monty Python leken te komen. Verder ging ik geregeld met hem in conclaaf over literatuur en muziek. Hele discussies hadden we over Samuel Taylor Coleridge, Hawkwind en The Clash. Na een klassenavond bij hem thuis, kwam ik wel vaker bij hem over de vloer om een biertje te drinken.

Toen ik op school helemaal vastliep door mijn gebrek aan concentratie en gezagsondermijnende gedrag tijdens de lessen, kwam mijn mentor met een geniaal plan. Ik moest me voortaan een uur voordat de lessen begonnen melden bij hem thuis, in sporttenue. Daarna gingen we gezamenlijk een eind hardlopen. Na een douche voor de benodigde frisheid kon ik dan weer aan de lessen deelnemen, met een leeg hoofd en dus helemaal geschikt om informatie bij te laden. Verder hadden ook de overige docenten instructie gekregen: op het moment dat mijn “harde schijf” kortsluiting leek te maken en ik weer de clown uithing in de klas, moest ik lopend naar de andere kant van de stad om een boodschap te doen of een andere opdracht uit te voeren. Zodoende ging mijn overtollige energie toch nog in nuttige zaken zitten, wat mij meer gevoel van eigenwaarde gaf. En het veroorzaakte veel opluchting, zowel bij mij omdat ik van die ellendige schoolse situatie verlost was, als bij de docenten die niet met mijn onrust hoefden te dealen.

Inmiddels sta ik zelf alweer voor het zesde jaar voor de klas. Begonnen als docent Nederlands, maar inmiddels heb ik er twee vakken bij gekregen: burgerschap en communicatie. Allebei vakken die minder schools zijn, maar waarin ik wel mijn authenticiteit en eigenzinnigheid kwijt kan. Omdat beide vakken zich uitstekend lenen voor introspectie, discussie en ook een stukje training en opvoeding. Vooral bij dat laatste gedeelte ligt mijn grote passie, en ik ben er goed in. Logisch wel, want ik snap precies waarom veel van mijn leerlingen vastlopen in het huidige schoolsysteem. En helaas ook vaak in de huidige maatschappij. Ik ben er al zo’n negenendertig jaar tegen aan het knokken.

Na zes jaar voor de klas stemt de richting waarin we met ons onderwijs en de maatschappij gaan me niet vrolijk. De schoolsheid is alleen maar toegenomen. Ook al is de stringente urennorm kwantitatief iets verminderd, het aantal uren dat leerlingen verplicht tijd zitten te vullen in de klas is nog steeds enorm. Dit brengt ook met zich mee dat actieve jongelui verplicht zijn om een groot deel van de dag stil te zitten. Het projectmatig werken heeft een enorme vlucht genomen: prettig als voorbereiding op het zelfstandige werken in het toekomstige leven, maar enorm lastig voor leerlingen die van zichzelf niet zo goed kunnen plannen of een gebrek aan intrinsieke motivatie vertonen. Tot slot het passend onderwijs, dat maar moeilijk van de grond lijkt te komen. Logisch: als docent leer je in de opleiding relatief gezien best weinig over de omgang met leerlingen waar “iets” mee is.

Ontmoeting met mijn “idool”

Enkele jaren geleden had ik een reünie van de middelbare school. Mijn vroegere docenten reageerden voornamelijk verbaasd wanneer ze hoorden dat ik inmiddels zelf voor de klas stond. Behalve mijn vroegere docent Engels, met zijn inmiddels grijze lange haar en sik. Hij nam het voor kennisgeving aan, zo leek het, in elk geval zag ik geen spoor van verbazing in zijn reactie. Vooral toen ik vertelde dat ik het liefst op niveau 2 van het mbo lesgaf, knikte hij bevestigend.

Helaas heb ik de beste man nooit durven zeggen dat hij mijn grote voorbeeld was en is. De verhalen die ik over hem hoorde van derden in zijn omgeving, onder andere over zijn mislukte huwelijk en andere problematiek, doen daar niks aan af. Ik weet uit ervaring hoe hard je moet knokken in het leven als je eigenzinnig bent, op allerlei gebieden, simpelweg omdat onze leefwereld en maatschappij daar niet op ingesteld zijn.
De ellende met authenticiteit is, dat men doet alsof het een hoog goed of ideaal is, maar dat we er als omgeving maar slecht mee om kunnen gaan. Natuurlijk snap ik de frustratie van mijn vrouw, als ik weer een afspraak vergeten ben of belangrijke spullen ben kwijtgeraakt. Of de ergernis van mijn collega’s, als ze mij weer aan een protocol moeten herinneren waar ik het belang maar moeilijk van kan inzien. Of als ik al dan niet bewust de structuur overhoop gooi. Net zo goed als ik de frustratie van collega’s zie bij die leerling die continu de grens van medeleerlingen en docenten opzoekt, of die leerling die continu aan gemaakte afspraken herinnerd moet worden, of die leerling die steeds probeert om iedereen aan het lachen te maken.

Wat ons te doen staat

Misschien moeten we als maatschappij en scholen eens gaan stoppen met toewerken naar de eisen die de top van de kenniseconomie aan ons stelt. Omdat we zo een wereld aan het creëren zijn waarin we als samenleving steeds meer mensen buitensluiten. Met haar streven naar volledige werkgelegenheid lijkt onze overheid vooral buiten de realiteit te leven, steeds meer werk wordt immers uitbesteed aan robots of personeel in lageloonlanden. Zou het niet prachtig zijn als al die automatisering in het voordeel van alle mensen gebruikt gaat worden, niemand uitgesloten? En dat we op onze opleidingen toewerken naar zinvolle dagbesteding voor iedereen, in plaats van naar steeds beter betaald werk voor steeds minder mensen?

Begrip voor en contact met alle mensen, dat is waar ik als docent voor sta. En natuurlijk werk ik daarbij ook naar bepaalde referentieniveaus en toetsingen toe. En heb ik daarbij last van die ene jongen die continu iedereen probeert af te leiden en aan het lachen te maken. Maar ik weet uit ervaring dat hij dat doet omdat hij gewaardeerd wil worden, en dit de manier in het verleden is geweest waarmee hij dat kon bereiken. Alle andere schoolse vaardigheden gingen hem immers te moeilijk af. En die jongen die continu de grens van anderen opzoekt, doet dit alleen omdat hij duidelijkheid nodig heeft in de omgang met mensen. Net als zijn buurman, die elke les weer “vergeet” om zijn jas aan de kapstok te hangen. Of diens overbuurman, die voor de vijfde keer dezelfde vraag stelt over de opdracht die hij moet maken.

Gedrag van anderen, al dan niet gewenst in de situatie, heeft altijd een oorzaak. Dat ondervang je niet met protocollen, extrinsieke discipline of mopperen. Neem maar van mij aan dat de leerling in kwestie dit al zijn hele schoolse leven hoort of meemaakt, en dat het nooit geholpen heeft. Daarom gebruik ik mijn leerlingen waar “iets” mee is altijd als barometer. Moet ik Ahmed voor de vijfde keer vragen om zijn jas uit te doen? Misschien heb ik dan niet de hele klas voldoende bij het instructiemoment betrokken. Zijn Wesley en Johnny elkaar in de haren gevlogen? Misschien hebben ze elkaar via de sociale media al tijden zitten treiteren, en konden ze zich niet voor die prikkels afsluiten. Wil Patrick al de hele tijd zijn pet niet afzetten? Misschien beschermt die pet hem tegen de prikkels van buitenaf in zijn overbevolkte klas. En zou dat ook de reden zijn waarom Boudewijn net in de pauze een joint heeft gerookt? Wordt het niet tijd dat ik als docent structuur aanbreng in dit zooitje?

Waar ik voor pleit is een maatschappij en bijbehorend onderwijs waarbinnen ruimte is voor iedereen. Voor de vier procent die bij de excellente leerlingen hoort. Voor de tien procent van de leerlingen waar “iets anders” mee is. Of voor de ruime meerderheid van de klas die zich niet in een uitzonderingspositie bevindt. Want die jongen die moeite heeft met zijn examen Nederlands, is straks misschien de man die jouw riool moet ontstoppen of jouw huis moet bouwen. Net zo belangrijk werk als jouw baan als management consultant of chairman of the board. En mocht je ooit de keuze maken om een baan voor de klas te ambiëren, wees dan vooral jezelf. Leerlingen prikken namelijk zo door je heen als je niet authentiek bent.

Bas Mijland, november 2016