Vertrouwen in elkaar

De afgelopen weken heb ik met veel teamleden gesprekken gevoerd. Meest mooie en waardevolle gesprekken. De meeste gesprekken verlopen goed en in openheid en zijn in ieder geval steeds “lerend”. En dat betekent dat het soms ook “schuurt”.

En toch….. toch voelt het alsof er iets dwars blijft zitten.

Jan Terlouw sprak in De Wereld Draait Door bij Matthijs van Nieuwkerk over het wantrouwen dat er heerst jegens elkaar en tegen politici. Vertrouwen is wel een dingetje op dit moment. Iets waar we allemaal om vragen, maar waar we ook allemaal last van blijken te hebben. Wij willen allemaal vertrouwen krijgen, maar bekijken alles met wantrouwen. Het lijkt erop dat “IK” te vertrouwen ben, maar al die “ANDEREN” niet.

In de gesprekken van de afgelopen weken komt ook regelmatig het antwoord “vertrouwen” als ik vraag wat zij nodig hebben. Vertrouwen van mij als directeur, maar ook van anderen. Vertrouwen. Maar wat wordt dan bedoeld met vertrouwen? Het antwoord is net zo simpel als verwacht: “Dat anderen er vertrouwen in hebben dat ik ook het beste wil voor de kinderen in mijn klas. Dat anderen er vertrouwen in hebben dat ik mijn werk goed wil doen.” Een terecht antwoord!

Vandaag kreeg ik tijdens een gesprek feedback. Feedback waar ik zelf om vroeg met de opmerking dat als er iets is wat mij niet verteld wordt, dat je mij mijn kans op “leren” en op “verbetering” ontneemt. Nou… dan was er nog wel wat…

Tijdens een studiedag was ik “op mijn iPad” allemaal andere dingen aan het doen. Ik was er namelijk hard op aan het tikken. “En dat na het begin van de middag waar ik mensen wees op het verhaal dat wij (leerkrachten) mopperden om te laat komende leerlingen, maar vervolgens zelf te laat aanwezig waren tijdens de studiedag”.

Wat zegt dit over “VERTROUWEN”? Want dat ik allemaal andere dingen aan het doen was, was een aanname. Ja, ik gebruik mijn iPad, telefoon en laptop vaak. En dus ook voor het maken van aantekeningen. En ja…. Als je dan een vraag stelt die net al gesteld was, maar in mijn ogen niet voldoende beantwoord werd en je dus een verdiepende vraag stelt…. is dat reden om aan te nemen dat ik iets anders aan het doen en er niet bij ben. En daar heeft men het dan “in de wandelgangen” over. “De wandelgangen…” iets waar iedereen een hekel aan heeft, maar waar iedereen in meer of mindere mate toch aan meedoet. “Wandelgangen…” het heeft een functie, maar kan toch erg vervelend zijn.

Ik was heel erg blij met deze feedback, maar ook wel een beetje ontdaan over het feit dat men dit van mij dacht. Als leerkracht had ik er altijd moeite mee; directeuren die er tijdens een studiedag wel bijzitten, maar er eigenlijk “niet zijn”. Die zichzelf en hun werk belangrijker vinden dan “er zijn”. En laat nou net dat gevoel meteen bij mij binnen komen! Er werd mij dus verweten dat ik er “niet bij was”. Dit voelde als een rechtstreekse aanval op mijn integriteit. En dat na een gesprek waarin vertrouwen als belangrijke hulpvraag neer wordt gelegd. Ik schoot meteen in de verdediging. Niet goed, ik weet het. Ik weet dat dit niet mijn probleem is, maar van de ander. En toch…. Ben ik dan ook zo’n directeur?

Ook ik vraag om vertrouwen. Vertrouwen dat ik mijn werk zo goed mogelijk wil doen. Vertrouwen dat ik het beste met de kinderen voorheb. Vertrouwen dat ik het voor mijn leerkrachten goed wil doen en er voor hen wil zijn. Vertrouwen krijgen wil iedereen, iemand vertrouwen is blijkbaar lastiger. Maar ik denk dat dat hand in hand gaat.

In “vertrouwen in elkaar” zit het wederkerig voornaamwoord “elkaar”. Laten we voortaan ELKAAR vertrouwen. In de goede bedoelingen van een ieder, hoe moeilijk dat soms ook is. Dan hoef je het dus niet altijd met elkaar eens te zijn en kun je hierover met elkaar in gesprek.

Mocht iemand zich door mijn blog aangesproken voelen, dan spijt mij dat. Vertrouw er maar op dat ik dit niet schrijf om iemand te raken of aan te spreken. Niemand hoeft zich aangesproken te voelen. Ik schrijf dit, omdat ik denk dat er vele voorbeelden zijn zoals de mijne. Ik ben hier eigenlijk best benieuwd naar. Benieuwd naar tegenstrijdigheden. Benieuwd naar moeilijke situaties. Voel je dus vrij om hierop te reageren.

Peter de Been, schoolleider

Verwondering door bewondering

Verwondering door bewondering
Bewondering door verwondering
Laat ik je verwonderen?
Over wat ik bewonder?
Een wonder dat ik bewonder, waarmee ik jou verwonder.
Of is het wel een wonder? In ieder geval heel bijzonder.

Maar nu een fijne blik, opnieuw gericht.
Ik werp hem opnieuw de wereld in.
Niet te ver, maar dichtbij.
Zie ik jou en jou. Ook hem en haar. En zij? Ziet zij mij?

Ik zie jou en je zorgen. Zeg mij wat er is.
Ik zal zorgen dat het zo weer voorbij is.

En hij dan? Zit daar met zijn verdriet.
Maar praten doet hij echt niet.
Luister maar naar me. Ik ben er voor jou.
Daar komen tranen. Vind je het fijn als ik je even vasthou?
Weet je, ik ben ook niet altijd blij.
Dat mag je ook best weten van mij.

En zij, zij is altijd zo blij!
Als ik haar zie, wordt het warm in mij.
Maar wat ik ook van haar weet,
is dat ze alles vergeet.
Dat is niet leuk, vind ze niet fijn.
Weet je wat, ik zal een stukje van jouw geheugen zijn.
Ik zal je een geheim vertellen, hoop dat je mij gelooft.
Soms is het ook een rommeltje in mijn hoofd.

En die kleine meid die roept maar.
Maar wat ze zegt is niet waar.
De hele klas roept weer,
dat zegt ze elke keer!
Maar als het hen dan zo vaak stoort,
wordt die kleine meid dan wel gehoord?
Weet je, lieverd, zeg het maar tegen mij.
Ik zal goed luisteren naar wat je zei.
Misschien vind je het al fijn,
als ik er alleen maar even voor je zou zijn.

Maar zij, wordt zij niet gezien?
Niet herkend dan misschien?
Ik wil naar haar luisteren en haar horen.
Maar ze is een beetje verloren.
Ik probeer naar haar te kijken.
Maar soms lijkt ze me te ontwijken.
Ik probeer ontzettend, maar weet dat het ook anders kan gaan.
Ik weet, dan heb ik toch heel erg mijn best gedaan.

Ik ben geruster,
misschien daardoor ook bewuster.
En weet, elk kind is bijzonder.
Heeft iets waarover ik me verwonder.
Ik ben trots, vind het fijn
dat ik er steeds weer mag zijn.
En soms zal ook blijken,
Dat ik niet iedereen kan bereiken.

Maar ik weet, ik doe mijn best en ik doe het ontzettend graag.
Juf zijn blijft leuk, elke dag na vandaag.

Betty Boztay Meeuwesen november 2016.

img_6992

Wees jezelf

De ellende met authenticiteit

“’Wees jezelf’, sprak ik tot iemand. Maar hij kon niet, hij was niemand.”
Als iemand dit korte gedichtje van dichter/dominee de Génestet nooit als lijdend voorwerp heeft meegemaakt, dan ben ik het wel. Negen van de tien keer dat ik op school in de problemen kwam, was het eerder doordat ik teveel mezelf was. Bas, de dromerige figuur die zich in een andere wereld leek te bevinden. Of Bas die niet zat te dromen, maar die continu andere mensen aan het afleiden was en overal doorheen zat te praten. Bas, van wie verwacht werd dat hij op gepaste wijze op een ernstige situatie zou reageren, maar die juist overal de draak mee stak. Of Bas, die totaal van de kaart in de schoolbanken zat door het roken van oogluikend toegestane verdovende middelen. Allemaal verschillende versies van mezelf weliswaar, maar ik was het wel degelijk zelf!

Na de diagnose..

Inmiddels ben ik erachter dat al die obstinaatheid en non-conformiteit op met name de middelbare school, maar ook in de beroepspraktijk, wel degelijk een oorzaak hebben. Volgens de psycholoog komt het doordat mijn brein nogal wat ADD-kenmerken heeft. Simpel gezegd betekent dit, dat ik bovengemiddeld moeite heb met het verwerken van prikkels en informatie. Maar helaas is daar bij mij gedragsmatig of “aan de buitenkant” weinig van te zien. Daardoor kon en kan ik dus wel goed doen alsof ik “niemand” ben.

Sinds ik weet dat het een oorzaak heeft dat het zo druk is in die hersenpan van mij, vallen er wel een hoop puzzelstukjes in elkaar. Mijn leerlingen in de klas, die altijd even geboeid naar mijn instructies en uitleg luisteren. Vooral omdat ze enorm benieuwd zijn welk zijpad ik nu weer in ga slaan, of welke rare grol of grap er nu weer uit komt rollen. De inwendige kalmte die ik weet uit te stralen op het moment dat ergens de pleuris uitbreekt. De onverwachte invallen en handelingen waarmee ik de aandacht van mensen weet te trekken of ze met zichzelf kan confronteren. Maar ook de innerlijke chaos, waardoor ik afspraken vergeet, spullen kwijtraak en nogal lomp en ongepast uit de hoek kan komen. Allemaal te danken aan mijn “confettibrein”, zoals een vriendin van me het treffend omschreef.

De maatschappij en authentiek gedrag

Ondertussen doen reclames alsof non-conformiteit en authenticiteit de hoogste doelen zijn die een mens kan behalen tijdens de jacht op geluk. Die prijs in de lotto die ervoor zorgt dat je nooit meer die loonslaaf hoeft te zijn, die in een soort matrix van verplichtingen verzeild is geraakt. Die ene geur uit dat geweldige flesje, die maakt dat je een soort unieke en onweerstaanbare vrouwenmagneet wordt. Die unieke auto uit Japan, die maakt dat je niet wordt gezien als de “zoveelste Duitser op de weg”. Dat hele streven om uniek te zijn roept bij mij twee vragen op: “Hoe uniek kan zo’n product je nog maken als al die advertenties juist zoveel mogelijk mensen aansporen om het aan te schaffen?” En ten tweede de vraag: “Zit onze maatschappij eigenlijk wel op al die non-conformiteit en authenticiteit te wachten?”

Voor het antwoord op de tweede vraag hoef je alleen maar even de gemiddelde school binnen te wandelen. Complete volksstammen worden daar, met vrijwel hetzelfde instructiemateriaal en volgens hetzelfde stramien, klaargestoomd om aan het eind van de rit aan dezelfde beroepseisen en referentieniveaus te voldoen. Als je wat moeilijker stil kunt zitten, minder communicatief of taalvaardig bent, moeite hebt met het onmiddellijk opvolgen van instructies of anderszins niet aan de eisen kunt voldoen die de huidige competitieve en op theoretische kennis gerichte maatschappij aan je stelt, loop je vroeg of laat vast. Doordat er “niet uitkomt wat erin zit”, zoals mij vaak verteld is. Door je veronderstelde “gebrek aan discipline”. Maar eigenlijk vooral door de toenemende angst van de samenleving voor alles wat anders is dan de standaard. Hoe verklaar je anders het toenemende aantal “stempeltjes” voor leerlingen die niet helemaal in het plaatje passen?

Als maatschappij zijn we inmiddels in de situatie terecht gekomen, dat mensen die sterk theoretisch onderlegd zijn, ondernemend en gestructureerd zijn, competitief zijn ingesteld en die sterke communicatieve eigenschappen hebben het heel ver kunnen schoppen. Al blijft het natuurlijk mooi meegenomen om uit een “goed nest” te komen. Het onderwijssysteem is er steeds meer op ingesteld om “excellentie”, uitblinken, te stimuleren en belonen. Tenzij je natuurlijk excellenter dan het schoolsysteem bent, dan heet je ineens “hoogbegaafd”. Zodoende creëren we als samenleving een situatie waarin het steeds moeilijker is om zonder bepaalde aangeboren eigenschappen te gaan behoren bij de mensen die het voor het zeggen hebben en die de koek verdelen. Bovendien groeit, parallel aan die ontwikkeling, met de vlucht van de technologie de behoefte aan theoretici.

Het onderwijs vroeger en nu

In het huidige gestandaardiseerde onderwijs is het steeds moeizamer om je te handhaven wanneer je afwijkt van de “norm”. Had ik het vroeger al moeilijk om mijn huiswerk en planning georganiseerd te krijgen op de middelbare school, of eerlijk gezegd om überhaupt mijn agenda open te doen of in mijn schoolwerk te kijken, tegenwoordig wordt op de lagere school al van je gevraagd om je taken te plannen, continu getoetst te worden of je op andere wijze de maat te laten nemen. En dan vinden we het gek dat steeds meer kinderen buiten de boot vallen!

Gelukkig had ik vroeger op de middelbare school, toen mijn concentratie- en leerproblemen echt gevolgen begonnen te krijgen, een docent en mentor die zelf ook een behoorlijk rare snuiter was. Mijn docent Engels was een hippie met lang haar en een sik. Hij had dezelfde absurde en ongepaste humor als ik, gezien de rare dictees die hij altijd gaf met zinnen die zo uit Monty Python leken te komen. Verder ging ik geregeld met hem in conclaaf over literatuur en muziek. Hele discussies hadden we over Samuel Taylor Coleridge, Hawkwind en The Clash. Na een klassenavond bij hem thuis, kwam ik wel vaker bij hem over de vloer om een biertje te drinken.

Toen ik op school helemaal vastliep door mijn gebrek aan concentratie en gezagsondermijnende gedrag tijdens de lessen, kwam mijn mentor met een geniaal plan. Ik moest me voortaan een uur voordat de lessen begonnen melden bij hem thuis, in sporttenue. Daarna gingen we gezamenlijk een eind hardlopen. Na een douche voor de benodigde frisheid kon ik dan weer aan de lessen deelnemen, met een leeg hoofd en dus helemaal geschikt om informatie bij te laden. Verder hadden ook de overige docenten instructie gekregen: op het moment dat mijn “harde schijf” kortsluiting leek te maken en ik weer de clown uithing in de klas, moest ik lopend naar de andere kant van de stad om een boodschap te doen of een andere opdracht uit te voeren. Zodoende ging mijn overtollige energie toch nog in nuttige zaken zitten, wat mij meer gevoel van eigenwaarde gaf. En het veroorzaakte veel opluchting, zowel bij mij omdat ik van die ellendige schoolse situatie verlost was, als bij de docenten die niet met mijn onrust hoefden te dealen.

Inmiddels sta ik zelf alweer voor het zesde jaar voor de klas. Begonnen als docent Nederlands, maar inmiddels heb ik er twee vakken bij gekregen: burgerschap en communicatie. Allebei vakken die minder schools zijn, maar waarin ik wel mijn authenticiteit en eigenzinnigheid kwijt kan. Omdat beide vakken zich uitstekend lenen voor introspectie, discussie en ook een stukje training en opvoeding. Vooral bij dat laatste gedeelte ligt mijn grote passie, en ik ben er goed in. Logisch wel, want ik snap precies waarom veel van mijn leerlingen vastlopen in het huidige schoolsysteem. En helaas ook vaak in de huidige maatschappij. Ik ben er al zo’n negenendertig jaar tegen aan het knokken.

Na zes jaar voor de klas stemt de richting waarin we met ons onderwijs en de maatschappij gaan me niet vrolijk. De schoolsheid is alleen maar toegenomen. Ook al is de stringente urennorm kwantitatief iets verminderd, het aantal uren dat leerlingen verplicht tijd zitten te vullen in de klas is nog steeds enorm. Dit brengt ook met zich mee dat actieve jongelui verplicht zijn om een groot deel van de dag stil te zitten. Het projectmatig werken heeft een enorme vlucht genomen: prettig als voorbereiding op het zelfstandige werken in het toekomstige leven, maar enorm lastig voor leerlingen die van zichzelf niet zo goed kunnen plannen of een gebrek aan intrinsieke motivatie vertonen. Tot slot het passend onderwijs, dat maar moeilijk van de grond lijkt te komen. Logisch: als docent leer je in de opleiding relatief gezien best weinig over de omgang met leerlingen waar “iets” mee is.

Ontmoeting met mijn “idool”

Enkele jaren geleden had ik een reünie van de middelbare school. Mijn vroegere docenten reageerden voornamelijk verbaasd wanneer ze hoorden dat ik inmiddels zelf voor de klas stond. Behalve mijn vroegere docent Engels, met zijn inmiddels grijze lange haar en sik. Hij nam het voor kennisgeving aan, zo leek het, in elk geval zag ik geen spoor van verbazing in zijn reactie. Vooral toen ik vertelde dat ik het liefst op niveau 2 van het mbo lesgaf, knikte hij bevestigend.

Helaas heb ik de beste man nooit durven zeggen dat hij mijn grote voorbeeld was en is. De verhalen die ik over hem hoorde van derden in zijn omgeving, onder andere over zijn mislukte huwelijk en andere problematiek, doen daar niks aan af. Ik weet uit ervaring hoe hard je moet knokken in het leven als je eigenzinnig bent, op allerlei gebieden, simpelweg omdat onze leefwereld en maatschappij daar niet op ingesteld zijn.
De ellende met authenticiteit is, dat men doet alsof het een hoog goed of ideaal is, maar dat we er als omgeving maar slecht mee om kunnen gaan. Natuurlijk snap ik de frustratie van mijn vrouw, als ik weer een afspraak vergeten ben of belangrijke spullen ben kwijtgeraakt. Of de ergernis van mijn collega’s, als ze mij weer aan een protocol moeten herinneren waar ik het belang maar moeilijk van kan inzien. Of als ik al dan niet bewust de structuur overhoop gooi. Net zo goed als ik de frustratie van collega’s zie bij die leerling die continu de grens van medeleerlingen en docenten opzoekt, of die leerling die continu aan gemaakte afspraken herinnerd moet worden, of die leerling die steeds probeert om iedereen aan het lachen te maken.

Wat ons te doen staat

Misschien moeten we als maatschappij en scholen eens gaan stoppen met toewerken naar de eisen die de top van de kenniseconomie aan ons stelt. Omdat we zo een wereld aan het creëren zijn waarin we als samenleving steeds meer mensen buitensluiten. Met haar streven naar volledige werkgelegenheid lijkt onze overheid vooral buiten de realiteit te leven, steeds meer werk wordt immers uitbesteed aan robots of personeel in lageloonlanden. Zou het niet prachtig zijn als al die automatisering in het voordeel van alle mensen gebruikt gaat worden, niemand uitgesloten? En dat we op onze opleidingen toewerken naar zinvolle dagbesteding voor iedereen, in plaats van naar steeds beter betaald werk voor steeds minder mensen?

Begrip voor en contact met alle mensen, dat is waar ik als docent voor sta. En natuurlijk werk ik daarbij ook naar bepaalde referentieniveaus en toetsingen toe. En heb ik daarbij last van die ene jongen die continu iedereen probeert af te leiden en aan het lachen te maken. Maar ik weet uit ervaring dat hij dat doet omdat hij gewaardeerd wil worden, en dit de manier in het verleden is geweest waarmee hij dat kon bereiken. Alle andere schoolse vaardigheden gingen hem immers te moeilijk af. En die jongen die continu de grens van anderen opzoekt, doet dit alleen omdat hij duidelijkheid nodig heeft in de omgang met mensen. Net als zijn buurman, die elke les weer “vergeet” om zijn jas aan de kapstok te hangen. Of diens overbuurman, die voor de vijfde keer dezelfde vraag stelt over de opdracht die hij moet maken.

Gedrag van anderen, al dan niet gewenst in de situatie, heeft altijd een oorzaak. Dat ondervang je niet met protocollen, extrinsieke discipline of mopperen. Neem maar van mij aan dat de leerling in kwestie dit al zijn hele schoolse leven hoort of meemaakt, en dat het nooit geholpen heeft. Daarom gebruik ik mijn leerlingen waar “iets” mee is altijd als barometer. Moet ik Ahmed voor de vijfde keer vragen om zijn jas uit te doen? Misschien heb ik dan niet de hele klas voldoende bij het instructiemoment betrokken. Zijn Wesley en Johnny elkaar in de haren gevlogen? Misschien hebben ze elkaar via de sociale media al tijden zitten treiteren, en konden ze zich niet voor die prikkels afsluiten. Wil Patrick al de hele tijd zijn pet niet afzetten? Misschien beschermt die pet hem tegen de prikkels van buitenaf in zijn overbevolkte klas. En zou dat ook de reden zijn waarom Boudewijn net in de pauze een joint heeft gerookt? Wordt het niet tijd dat ik als docent structuur aanbreng in dit zooitje?

Waar ik voor pleit is een maatschappij en bijbehorend onderwijs waarbinnen ruimte is voor iedereen. Voor de vier procent die bij de excellente leerlingen hoort. Voor de tien procent van de leerlingen waar “iets anders” mee is. Of voor de ruime meerderheid van de klas die zich niet in een uitzonderingspositie bevindt. Want die jongen die moeite heeft met zijn examen Nederlands, is straks misschien de man die jouw riool moet ontstoppen of jouw huis moet bouwen. Net zo belangrijk werk als jouw baan als management consultant of chairman of the board. En mocht je ooit de keuze maken om een baan voor de klas te ambiëren, wees dan vooral jezelf. Leerlingen prikken namelijk zo door je heen als je niet authentiek bent.

Bas Mijland, november 2016

Dat moment wanneer kinderen die zenuwen bereiken

Een nieuwe week, een nieuwe maandag. En niet zomaar één. De eerste maandag nadat Sinterklaas eindelijk weer in het land is. De eerste maandag waarop kinderen eindelijk het verboden woord, ‘Sinterklaas’, mogen zeggen. En een dag waarop kinderen nog enthousiaster zijn dan een paar weken geleden. Maar ook een nieuw blok met rekenen. Nieuwe sommen, bussommen. En wat zijn ze moeilijk. Ik heb de klas opgedeeld in 3 groepen. Een groep werkt met de laptop, een andere groep werkt met mijn collega. De derde groep krijgt mijn volle aandacht. Een paar kinderen hebben het vrij snel door. Andere kinderen hebben er meer moeite mee. Ik probeer ervoor te zorgen dat ze het allemaal begrijpen. Maar dat ene meisje heeft maar geen geduld. Ook niet om naar de uitleg te luisteren.

img_6767


‘Juf! Juf! Juhuf!!’. Blijft ze maar roepen. ‘Zie je dat ik in gesprek ben? Ik kom zo naar jou toe.’ Maar ze heeft echt geen geduld. Ze blijft maar roepen. En als ik dan niet reageer, gaat ze over op: ‘O, school is echt saai. Is het al tijd? Gaan we nou naar huis? Ik wil naar huis! Juf! Juhuf!’, blijft ze doorgaan. Soms bereiken kinderen bepaalde zenuwen in je hoofd waarmee ze ervoor zorgen dat je het liefst wilt roepen: ‘En nu is het klaar! Wat je doet is echt vervelend! Pak je spullen en ga maar even ergens anders werken. En als ik straks kom kijken, dan is je werk af!’. Dit meisje heeft bij mij die zenuwen te pakken. Maar meteen besef ik me dat ik haar op deze manier niet ga helpen. En op deze manier zal ze niet stoppen met haar gedrag. Sterker nog, ik zal het zelfs verergeren. En hoe kan ik haar dan nog bereiken en zorgen dat ze vertrouwen heeft in haar eigen kunnen? Ik knijp even in mijn handen en kijk even op van mijn gesprek met het andere kind. Ik richt me tot het meisje dat koste wat het kost mijn aandacht zal krijgen. ‘Wat is er aan de hand?’, vraag ik haar. Ze zegt dat ze het niet snapt. ‘O sorry, dan heb ik het je niet goed uitgelegd. Ik leg deze som even uit aan Mila, daarna kom ik naar jou toe. Ik zal het je op een andere manier uitleggen, ik zal zorgen dat je het gaat begrijpen. Kun je nog heel even wachten?’ Ik kijk haar recht aan. En dat kan ze nu. Ze wacht netjes tot ik naar haar toe kom. Ik leg het haar uit op een andere manier. We maken een som samen. Het kwartje valt. Ze maakt nu een som met mij erbij, maar wel zelf. En eigenlijk, eigenlijk kan ze het nu zelf wel. ‘Wil je de volgende som nog samen maken?’ vraag ik haar. ‘Nee juf, ik snap het wel, hoor. Ik kan het zelf wel.’ Klinkt het een beetje geïrriteerd. Ze gaat stil aan het werk. Mijn aandacht heeft ze niet meer nodig. Ze kan het.
Betty Boztay-Meeuwesen 15 november 2016

Alweer de tweede blog van Betty. Als je leerlingen écht ziet maak je het verschil. Ik denk dat iedereen die voor de klas staat wel eens last heeft van die zenuw die geraakt wordt. Als je dan zo inspeelt op de situatie ben je een juf met de hoofdletter J. 

Nu liet ik het echter toe.

Laatst mocht ik een inspiratiebijeenkomst over ‘pedagogisch tact’ bijwonen, van Ellen Emonds. Vol inspiratie ging ik naar huis. Ik kon niet wachten tot ik de dag daarop weer mocht beginnen in mijn klasje, groep 3.
We begonnen in de kring; de verteltas. Jammer genoeg was de jongen die aan de beurt was, vergeten de verteltas weer mee naar school te nemen. Nou ja, jammer… Mijn gevoel en mijn prikkels namen het over. Ik vertelde de kinderen waar ik de avond ervoor was geweest. En ook hoe Ellen Emonds vertelde over dat elk kind zijn best doet, elk kind doet wat het kan. Vervolgens keek ik iedereen een keer aan en zei: ‘En jullie ook. De een maakt wat meer foutjes, de ander wat minder. Maar jullie doen allemaal je best, anders zouden jullie wel minder foutjes maken.’ Het werd een gesprek waarin ik mezelf openstelde en de kinderen mijn vertrouwen probeerde te geven. Het werd een gesprek waarin ik merkte dat kinderen graag hun eigen verhaal vertelden of hun vragen durfden te stellen.
Een leerling vroeg me naar mijn leeftijd. Ik vertelde bijna heel eerlijk mijn leeftijd. ‘Toen ik 28 jaar was, vond ik dat een hele fijne leeftijd. Zo’n fijne leeftijd, dat ik besloot dat ik het jaar daarop weer 28 jaar zou worden. Een jaar later werd ik 28 jaar. En het jaar daarop werd ik ook 28 jaar. Toen ik afgelopen zomer jarig was, werd ik weer 28 jaar.’ Als eerste kwamen de reacties als ‘huh’ en ‘hoe kan dat nou?’. Maar toen besloot iemand me te vragen waarom ik elke keer 28 jaar werd. Ik vertelde ze dat ik 28 jaar gewoon een hele fijne leeftijd vond en toen ik echt 28 jaar werd, leefde mijn moeder nog. Normaal gesproken ga ik niet echt met de kinderen in gesprek over mijn moeder. Ze kunnen zulke goede vragen stellen, dat ze al snel bij mijn verdriet komen. Nu liet ik het echter toe. Ze konden me van alles vragen en ik kon ze eerlijk antwoord geven. Ik liet ze toe meer over dat moeilijk stukje achter mij te weten te komen. En dat was goed.
img_6677 Daarna vroeg ik de kinderen of er iemand weleens met een rotgevoel naar school kwam. Meerdere kinderen staken hun vinger op en vertelden iets. Toen was er een meisje aan de beurt. Ik noem ze Abigail. Abigail vertelde dat ze een rotgevoel had, omdat haar moeder haar tablet af had gepakt. Meteen kwam er een reactie van een jongen uit de klas: ‘Oh, dat zegt ze elke keer!!’. Ik vroeg haar of ze dit vaker vertelde. Het werd bevestigd door een aantal kinderen uit de klas, op niet zo’n leuke manier. Haar schouders gingen hangen. Ik kon me herinneren dat ze me dit inderdaad eerder ook heeft verteld, maar ik ben er toen niet verder op ingegaan. Hierop zei ik: ‘Misschien zegt ze het wel elke keer, omdat ze het gevoel heeft dat er niet naar haar geluisterd wordt.’ Haar hoofdje ging weer iets omhoog en de andere kinderen dachten na over mijn opmerking. Hierna hebben we geluisterd naar Abigail en hebben we met z’n allen nagedacht over hoe ze het probleem de volgende keer op kon lossen.
Toen ontstond er wat geroezemoes. Hoe langer ik niks ondernam, hoe meer kinderen dit overnamen. Ik besloot om even achterover te gaan zitten en te kijken wat er zou gaan gebeuren. Bijna iedereen deed inmiddels mee, op zijn eigen manier. 2 Jongens die regelmatig door de klas roepen, wilden nu juist dat het stil werd. Ze vonden het heel vervelend dat er zo’n onrust in de kring was. Ze riepen ook allebei: ‘En nu allemaal stil zijn!’. Een paar kinderen die normaal wel aanwezig zijn, maar er niet echt doorheen praten stonden nu juist op. Ze sprongen in de lucht en probeerden op een grappige manier over te nemen wat de eerstgenoemde 2 jongens zeiden. Dit werd ook overgenomen door een meisje dat niet zoveel in een grote groep vertelt, omdat ze nog niet zo lang in Nederland is en de taal niet beheerst. Een paar kinderen bleven gezellig met elkaar kletsen. Weer een ander meisje dat normaal gesproken heel erg in mijn beeld blijft, trok zich nu tevreden terug. Ze ging achterover zitten en dacht: ‘Wat fijn dat de juf nu eens niet op mij let’. Een aantal kinderen probeerden hun klasgenootjes stil te krijgen door hun vinger voor hun mond te houden en ‘ssssssssstt’ te roepen. Hier bleven ze echter mee doorgaan, terwijl de andere kinderen al stil waren. Daar werd weer op gereageerd door een jongen die niet bang is om iets te zeggen, maar die het graag aan anderen overlaat. Hij observeerde de groep een tijdje om vervolgens te reageren: ‘als jullie nou eens stoppen met ‘ssssstt’ roepen, dan kan het pas echt stil zijn’. Daar had hij ontzettend gelijk in. Toen bleef er nog een meisje over. Ze werd bang. Ze keek angstig om zich heen. Ik heb iedereen verteld wat ik van ze gezien heb. Ze vertelden mij waarom ze zo reageerden. Alleen dat ene meisje vond het nog steeds eng. Ze durfde nog net in mijn oor te fluisteren hoe ze zich voelde: ‘bang’. En dat begreep haar klasgenootjes gelukkig ook.
Het was weer tijd om verder te gaan met het geplande programma. Ze waren er klaar voor. Maar eerst kreeg ik nog verschillende knuffels, ook van kinderen die eerder niet zo makkelijk naar me toe kwamen. En Abigail, die heb ik na 2 minuten toch echt van me los moeten maken. Maar wat was dat een goed en fijn gesprek. Ik verheug me op de volgende keer.

Betty Boztay-Meeuwesen
5 november 2016

Wat een mooi praktijkvoorbeeld van een directe opbrengst in de klas n.a.v. een inspiratiemoment. Het maakt mij blij om te lezen wat een bijzondere ontwikkeling jij aan het doormaken bent op De Lochtenbergh. Heel veel dank voor dit prachtige Onderwijskoppen-verhaal. 

Invloed op waarden?

Tijdens een inspiratieavond gisteren van stichting Tangent ben ik weer eens flink aan het denken gezet. Ellen Emonds sprak over pedagogisch tact. Een mooie ontroerende avond met een persoonlijk verhaal van Ellen. Blij met haar opmerkingen en oneliners. Je doet er toe als leraar en je kunt het verschil maken. Het gaat om de waarden die jij hebt als persoon en hoe je die een rol laat spelen binnen je handelen. Het gaat in een klas veel minder over normen. Gelukkig liet Ellen het woord protocol ook even vallen. Ze vroeg ons om daar vooral niet te snel naar toe te gaan in lastige situaties. Eerst naar je gevoel en inzicht en daarop proberen te handelen. Ik werd er enthousiast van.

img_6661

Ellen maakte tijdens deze avond ook een opmerking over de rol van de schoolleider. Die is belangrijk als het gaat om het creëren van verbintenis binnen een team. Terechte opmerking. Toch heeft deze opmerking mij wel aan het denken gezet. Hoe moeilijk is het om een cultuuromslag te maken? Hoe krijg je leraren uit een omgeving, een structuur, waar de norm lange tijd erg belangrijk was? Hoe krijg je de waarden die je als schoolleider belangrijk vindt doordrenkt in het zijn van je leerkrachten? Wat is dan precies die veiligheid? Volgens mij raken we hier een ingewikkeld vraagstuk.

Gelukkig heb ik zelf op scholen gewerkt waar open gesprek over waarden en normen mogelijk was en plaats vond. Juist op scholen in “moeilijke wijken” word je wellicht wat sneller geconfronteerd met ongewenst gedrag. Leerkrachten hebben vaak hun hart liggen bij deze doelgroep vanuit hun eigen waarden en opvattingen. Toch bleek het gesprek lastig en ingewikkeld te worden als er verschillen zijn in die opvattingen. De verschillen zitten vaak in kleine details, maar zijn wel heel wezenlijk. Juist omdat je waarden zo diep geworteld zitten in je zijn, verander je moeilijk van inzicht en gedrag.

Leerkrachten zijn in situaties met lastig gedrag van kinderen ook snel uit balans. Begrijpelijk, want er gebeurt iets wat ze raakt, wat ze graag anders willen. Op deze momenten schieten mensen dan ook makkelijk in structuur en macht. Iets wat ik als ouder trouwens ook erg herken.

De verantwoordelijkheid voor het creëren van de open cultuur die we voor ogen hebben kan wat mij betreft dan ook nooit alleen bij de schoolleider liggen. Dit is juist een onderwerp wat samen opgepakt moet worden en waarbij iedereen zich kwetsbaar zal moeten opstellen, ook leerkrachten. De schoolleider doet er zeker toe, maar ik zou de verantwoordelijkheid voor dit lastige vraagstuk nooit bij één persoon durven en willen leggen.

Schilderen met woorden

Het mag…zeiden ze,
dus schrijf ik over vanmiddag.

We hebben vandaag geschilderd met acrylverf, maar ook met woorden.
Het gesprek werd niet enkel gekleurd door gebabbel maar bevatte ook veel tinten over keuzes, te maken keuzes en gemaakte keuzes.

img_6645

Over Karin (Donkers) en Lizette (Mijland)
Beide vrouwen zijn Onderwijswijven pus sang…maar……bijna verloren voor onderwijs.
Beide vrouwen zijn directeur in het basisonderwijs….geweest
Beide vrouwen hebben een onvoorstelbare hoeveelheid kennis, ervaring en een uitgesproken (en onuitgesproken) visie op onderwijs.

Maar….ze zijn uit de race gestapt.

Drie vrouwen die vanmiddag spraken over het “gen” dat onderwijsliefde heet.

Die het met elkaar hadden over de verharding, wanneer je een mening hebt over onderwijs.
Dat we vaak geen vragen stellen maar oordelen vellen.
Over de zorgen die we hebben over het “bijblijven” en voor veel leraren het “inhalen” van de slagen als het gaat om onderwijs aan onze kinderen/jongeren anno 2016.
Die elkaar vragen durven te stellen over hoe het anders zou kunnen, beter passend bij kinderen anno nu.
Over schoolleidersregisters, waar je eerst voor moet betalen om erin te komen maar er gratis uitgewipt wordt wannneer je geen baasje meer bent.
Over professionals, over bekwaam zijn en blijven.
Oh, we hebben ook geschilderd, maar de gesprekken van vanmiddag zijn voor mij de ware kunstwerken. Die zijn niet in waarde uit te drukken.

Dat rijke palet, dat onderwijs heet, met elkaar mengen.
Dat zouden meer mensen moeten doen!
Met elkaar het gesprek aangaan, elkaar vragen stellen, naar elkaar luisteren, het uitstellen van waardeoordelen.
Gesprekken die gevoerd worden op grond van gelijkheid, zonder rangen, standen, graden en gradaties

Onbetaalbaar

Morgen gaat Karin weer naar haar kleuters
Morgen gaat Lizette weer naar haar cultuurproject
Morgen ga ik weer anderen helpen met beetjes beter te worden.

….maar we zouden best wel iets anders willen doen.

Deze gastblog is geschreven door Karin Winters en alleen zij kan op deze manier verslag doen van een bijzondere middag. Bedankt Karin…én Karin Donkers voor het gezelschap én het gesprek. 

En dan is het herfstvakantie.

img_6556

De afgelopen week hoorde ik het heel vaak. Ik ben er echt aan toe, kan niet wachten. Eventjes rust. Was jij ook zo toe aan de herfstvakantie? Voor het eerst in jaren had ik het zelf veel minder. Met twee dagen werk en daarnaast allemaal nieuwe leuke dingen was mijn noodzaak een stuk minder.

Ik hoop dat de mensen die er wel aan toe waren lekker een weekje kunnen genieten van de mooie natuur, het zonnetje, de regenbuien en de tijd met je vrienden en familie.

Misschien heb je ook even tijd om na te denken over de eerste weken van het schooljaar. Hoe ging het? Heb je een goede start gemaakt? Waar werd je blij van, waar ging het mis? Hoe heb je de eerste schoolweken als ouder ervaren? Hoe bevalt je nieuwe baan of ben je nog op zoek?

Wellicht vind je in deze vakantieweek ook nog even tijd om je ervaring op te schrijven. Ik hoor van veel mensen dat ze genieten van de verhalen op Onderwijskoppen en veel bewondering hebben voor de schrijvers Anita, Christi, Karin en Lindsy.

Als het je gaat lukken mag je je verhaal mailen naar lmijland@gmail.com 

Over invallen

Vaak krijg ik te horen: Goh, is dat nou niet heel zwaar, dat invallen? Ja natuurlijk, maar als je pas klaar bent met de PABO wil je natuurlijk werken.

Nu ben ik ondertussen al voor mijn derde jaar aan het invallen. Dat is soms zwaar maar het is de meeste tijd gewoon heel leuk.
Toen ik klein was riep ik al dat ik juf wilde worden. Hartstikke leuk natuurlijk, maar je moet er wel iets voor doen. Na de basisschool ging ik naar VMBO-T. Met deze opleiding kon je niet meteen naar de PABO. Met een omweg via het ROC kon ik er ook komen. Op deze manier kon ik meer ervaring opdoen en hoefde ik minder theorie te leren. De PABO was zwaar maar ik heb het gehaald.
Toen begon het grote avontuur: werken.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan aangezien je niet zomaar aan een baan komt tegenwoordig. Dus dan begin je met invallen. Zodra ik klaar was met school heb ik mezelf ingeschreven bij de invalpool voor heel Tilburg en omstreken. Iedere ochtend om 7 uur zat ik klaar met gesmeerde boterhammetjes om gebeld te worden. Dit gebeurde helaas niet altijd zodat ik op sommige dagen om kwart voor 9 weer even terug kroop in bed. Gelukkig gebeurde het ook regelmatig dat ik wel werd gebeld. Na een paar maanden gebeurde het ook vaker dat ik werd terug gevraagd op een school. Dat voelt goed! Zo gebeurde het dat ik in mijn eerste invaljaar van januari tot aan de zomervakantie mijn eigen klas had. Dat was leuk, maar wel even wennen.
Van iedere dag om 8 uur op een school staan en 10 minuten nadat de leerlingen weg zijn ook weg gaan (want je hoeft dan alleen na te kijken, briefje schrijven voor de leerkracht over hoe het is gegaan) naar flink wat voorbereidend werk en na school lang op school blijven om rapporten en groepsplannen te maken.
Vorig schooljaar begon ik weer het jaar vol goede moed en het had geholpen! Meteen de eerste week mocht ik invallen in een groep 4 op de donderdag en de vrijdag en ze vroegen me meteen of dat ik voorlopig kon blijven. Ja natuurlijk! Daar ben ik het hele schooljaar blijven plakken en nu heb ik het geluk dat ik daar 1 dag in de week mag werken. Verder mag ik drie dagen invallen in de b-schil. Dat is dat als er iemand langdurig ziek is, ik hier mag gaan invallen. De donderdag is nu ingevuld en ik heb dus nog 2 dagen over. Omdat ik op die dagen nog geen invalwerk heb mag ik ondersteunen op mijn thuisschool. Op deze manier kom ik steeds een stukje dichter bij het hebben van een vaste klas voor meerdere dagen per week.
Dus voor alle (pas) afgestudeerde mensen die op zoek zijn naar een baan: wacht rustig af, ga lekker veel invallen en ervaring op doen (want het cliché is waar: na het afstuderen leer je alles pas echt goed) en het komt vanzelf goed.

Lindsy Heeren.

imageZo fijn dat Lindsy haar verhaal opgeschreven heeft voor Onderwijskoppen. We moeten investeren in onze nieuwe jonge leerkrachten mét talent en Lindsy is er daar één van. Goed dat jij je verhaal deelt. Er zijn op dit moment vele jonge leerkrachten die ook heel graag hun eigen groep willen draaien, maar het juiste plekje nog niet gevonden hebben.